woensdag 19 februari 2020
Homepage | inheemse vogels | 22 zeldzame broedvogelsoorten verdwenen uit Oostvaardersplassen

22 zeldzame broedvogelsoorten verdwenen uit Oostvaardersplassen

Uit een nieuw onderzoek in opdracht van de provincie Flevoland blijkt dat het hoge aantal grote grazers in de Oostvaardersplassen tot grote ecologische schade heeft geleid. Tussen 1997 en 2016 zijn in het droge deel van het gebied minimaal 22 zeldzame broedvogelsoorten verdwenen. Deze dramatische verarming is een unicum in de geschiedenis van de Nederlandse natuurbescherming.

Volgens de rechter mag het afschot van edelherten in de Oostvaardersplassen nog niet doorgaan. De reden is dat de partijen die om een voorziening hebben gevraagd te weinig tijd hebben gehad om het onderzoeksrapport door te nemen. Vijf ecologen van Wageningen Universiteit, Universiteit Utrecht, Staatsbosbeheer en het onderzoeksbureau Sweco hebben de ecologische effecten van de grote aantallen hoefdieren in de Oostvaardersplassen onderzocht.

22 zeldzame broedvogelsoorten verdwenen
De sterk toegenomen aantallen grote grazers hebben het eerder afwisselende en vogelrijke landschap in de randzone omgevormd tot een uitgestrekte en monotone grasvlakte waarin het overgrote deel van de broedvogels is verdwenen. Zelfs typische graslandsoorten als veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstaart, watersnip en grutto zijn hier volledig of vrijwel volledig verdwenen. Bij elkaar hebben met zekerheid 22 broedvogelsoorten (die op de meest recente Rode Lijst staan en ernstig bedreigd zijn) hun heil elders moeten zoeken. Er hebben zich in deze periode geen nieuwe broedvogelsoorten in het gebied gevestigd. Slechts drie van de uit de randzone verdwenen vogelsoorten (roerdomp, snor, porseleinhoen) komen ook in het moeras voor en zijn dus niet verdwenen uit de Oostvaardersplassen als geheel.

Aantallen wintergasten en doortrekkers
De werkgroep heeft ook de veranderingen in aantallen wintergasten en doortrekkers geanalyseerd. Er zijn elf Rode Lijstsoorten die in de randzone overwinteren. Eén soort laat een positieve ontwikkeling zien (zeearend), zeven soorten vertonen geen duidelijke veranderingen en vier soorten laten een negatieve ontwikkeling zien. Soorten als kievit, goudplevier en kemphaan hebben aanvankelijk van de begrazing geprofiteerd, maar vertoonden bij de verdere toename van de begrazingsintensiteit een duidelijke afname. Het zijn met name de brandgans en in mindere mate de grauwe gans, die hebben geprofiteerd van de grote oppervlaktes zeer kort grasland die zijn ontstaan.

Vestiging grote zilverreiger en zeearend
Het moeras herbergt nog steeds een zeer rijke vogelwereld en is van grote internationale betekenis. De vestiging van de grote zilverreiger in 1978 en de zeearend in 2006 zijn voor de Nederlandse natuur belangrijke sleutelmomenten geweest. Na deze eerste vestigingen hebben beide soorten zich over geheel Nederland verspreid. Om deze reden is in het beheer de droge randzone ondergeschikt gemaakt aan het moeras. De vraag is of dat volledig terecht is geweest. In de randzone kwamen in de jaren negentig 37 bedreigde broedvogelsoorten voor in vergelijking met slechts 8 bedreigde broedvogelsoorten in het moeras, waarvan enkele, zoals kleine zilverreiger en woudaapje, inmiddels zijn verdwenen. De aantallen broedvogels in het moeras zijn weliswaar vele malen groter dan in de randzone, maar het grote verschil in soortenrijkdom tussen randzone en moeras had moeten leiden tot een beheer dat gericht was op bescherming van zowel de vogels in het moeras als die in het grazige deel. Dat is niet gebeurd.

Aantallen ganzen tijdens rui in het moeras
De gedachte die ten grondslag lag aan de gekozen strategie was dat de ongelimiteerde populatie-ontwikkeling van de grote grazers en de daaruit voortvloeiende toename van het graslandareaal een positief effect zou hebben op de aantallen ruiende grauwe ganzen in het moeras. Deze ganzen zouden door de vraat van riet een afwisselend moeraslandschap in stand houden. Analyse van de aantallen grauwe ganzen laat echter zien dat het toenemende graslandoppervlak geen enkel effect heeft gehad op de aantallen ganzen die tijdens de rui in het moeras verblijven. Deze aantallen blijken vooral bepaald te worden door het beheer van het waterpeil en door veranderingen in de voorkeur voor ruigebieden langs de trekroutes van deze soort.

500 tot 600 hectare rietland weggevreten
Er mag verondersteld worden dat kleine aantallen ruiende grauwe ganzen in het moeras op langere termijn noodzakelijk zijn om een afwisselend moeraslandschap te handhaven met rietland, wilgenstruweel en kleine plasjes met helder water waar soorten als roerdomp, lepelaar en dodaars op visjes kunnen jagen. Daar staat echter tegenover dat gedurende de afgelopen twee decennia de tienduizenden ganzen in het moeras 500 tot 600 hectare rietland hebben weggevreten waarbij grote oppervlaktes open en troebel water zijn ontstaan. Deze ontwikkeling heeft belangrijke negatieve effecten gehad op soorten die afhankelijk zijn van helder water zoals roerdomp en dodaars. Juist om deze reden zijn grootschalige ingrepen in het moeras noodzakelijk, zoals nu gebeurt, waarbij het gehele westelijke deel wordt drooggelegd zodat er herstel van het rietland kan plaatsvinden.

Geen reden grote aantallen grazers te handhaven
Er is dus geen enkele reden om ten behoeve van het moeras grote aantallen grazers en grote oppervlaktes grasland te handhaven. Een sterke vermindering van het aantal hoefdieren zal op langere termijn in de droge randzone leiden tot een herstel van een afwisselend landschap met struweel, riet, ruigte en grasland en de rijke vogelwereld die daarin thuishoort. De vermoedelijke afname van de aantallen grauwe ganzen die dan zal plaatsvinden, zal ook de vogelwereld in het moeras ten goede komen. Momenteel bestaat het overgrote deel van de randzone uit kort afgevreten grasland. Veel kleinere oppervlaktes grasland zijn meer dan genoeg om voldoende ruiende grauwe ganzen in het moeras te behouden.

Tekst: Frank Berendse, Wageningen University & Research & Martin Wassen, Universiteit Utrecht/bron:naturetoday.nl

Bekijk ook

Eerste kievitsei binnen twee weken?

Het broedseizoen van de kievit begint dit jaar vroeg. Vorig jaar werd het eerste Drentse ...

2 opmerkingen

  1. Ja en dan komt er zo’n lulmeier bij jinek,om te vertellen dat men deze edelherten kan verdoven?
    En een prikpil doen voor 2 jaar.
    Heeft deze man ,Grauw van de PVV, niet gesnapt dat afschieten al een probleem is! En verdoven? Zou makkelijker moeten zijn,
    Ja onze natuur mensen ,hebben een goede kijk op papier??
    Verder komt er niet veel mondigs uit.
    Het beleid is al jaren mis ook bij natuurmonumenten, het inbrengen in de natuur van soorten ,moet ook gepaard gaan met het reduceren van soorten, want anders krijg je scheefgroei.
    Kijk straks maar bij de bevers.
    Te veel is een ramp,teveel aalscholvers is een ramp ,teveel grote grazers op weiden ook.
    Maar teveel kraaien ,en eksters ook .
    Maar onze natuurverenigingen willen alles in stand houden,
    De geit en de kool ,net als de vos en de korhoenders,gaat allemaal goed samen.
    Alleen in het westen,in de natuur niet

  2. Is eigenlijk een schaalvoorbeeld wat er in ons land plaatsvind monotone landerijen voor voedselproductie(export)er moet immers gegeten worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *